Stilleven wordt stil leven…


Wel even met de ogen knipperen tussen de twee foto’s, het wonder gebeurt niet vanzelf hé.

Wat zei de dichter Bloem ook alweer: “Het leven houdt zijn wonderen verborgen, tot het ze opeens toont, in hun hoge staat” (in het gedicht De Dapperstraat).

Van zo’n tot leven gekomen stilleven word ik domweg gelukkig…

(gezien in De Panne, zondag 6 juni)

Broekjes

’t Is weer de tijd van de korte broeken. Een beetje zon, en voilà, ze zijn er weer. En er zit verschil op, voorwaar. Bij de jonge vrouwen gaat gladde huid van de benen naadloos over in gladde broek, alsof die broek gewoon een lichaamsdeel is geworden, en hogerop geheel naadloos weer blote buik wordt. Ah, de trots van vlees geworden broekjes…

Bij oudere heren is die korte broek enkel vleeskleurig, een rechtopstaand stuk textiel, dat de verbinding verzekert tussen buik en benen. Dat tussenstuk is, gezien het verschil in volume tussen boven en onder, echt wel nodig, anders begon die buik al bij de knieën. Een kopvoeter, zoals peuters die nog tekenen.

’t Is weer de tijd van de korte broeken. En ik die al weken dacht: nu sta ik helemaal droog, nu is er niks meer dat mij een duwtje geeft en zegt: zou je niet eens over mij schrijven. Maar ondertussen heb ik al ettelijke geslaagde en minder geslaagde broekjes gezien, de schepping blijft van een verbazingwekkende veelzijdigheid. En dat de dieren helemaal geen broekjes nodig hebben, dat is toch ook een hersenkraker? Waarom wij wel?

… ou Dieu est amoureux

Arno, met die door leeftijd glanzend geworden stem van hem, zingt: Je veux vivre dans un monde ou Dieu est amoureux (in het lied Vivre). Arno als theoloog, waar gaan we dat schrijven. Maar het tekent hem als spirituele mens, dat wil zeggen iemand die zijn gedachten op het grote leven zoekt te leggen, dat verbonden maar ook warrige, harde leven van mensen en dingen. Want er zijn veel waaroms, en hij overloopt er een aantal in dat lied. En neemt stelling.
De solo gigolo is toch niet zo solo, hij voelt de grote wereld door hem trekken, en zingt, in zijn prachtige Arno-Frans, een lied dat de wereld wil herscheppen, dat wil aanraken en dichterbij trekken, voorbij de miserie en de aanstellerij. Een spiritueel lied, quoi. Arno weet dat je over God nauwelijks iets kan zeggen, alleen maar dat er een geheim van liefde en diepe betrokkenheid door de wereld gaat. Maar in die geniale eenvoud van hem zegt Arno: dan liefst een verliefd geheim, met alle zottigheid en verlangen en rock ’n roll die daarbij horen. En ik kan hem alleen maar volmondig gelijk geven…

Voor Yehuda Amichai

Er zijn woorden die als een groot mes bijna
tot boven toe zijn uitgesleten, zoveel handen
hebben ze gewet, en nu zijn ze oud,
en niemand durft ze verloren leggen.

Er zijn geuren uit de woestijn, en geuren
van de hand die blijft achtervolgen
om te liefkozen, alsof hij de huid
mist die de geliefde meenam en vergat.

Er zijn huizen waar in de schemering de muren
willen knielen en bidden, door het geloof
waarmee de ene steen op de andere werd gezet,
door het geduld waarmee ze bleven staan.

Er zijn wapens die krampachtig wachten,
bitter van verbroken beloften en nauwelijks
een klein berichtje in het avondjournaal.
Maar wapens wachten als een dood seizoen.

Er is een vader in de spieren die voelt
hoe warm het bloed is.
Er is een zoon in het bloed die vergeet
dat bloed niet eeuwig is.

Er is een god van boeken en van tempels
en een god van dode lichamen, in
de stilte tussen de gebaren wachten
de achterblijvers op een teken van verlies of winst.

Er zijn oorlogen voor dagelijks gebruik
en oorlogen voor landen en tijden.
In de fotoboeken van herinnering leren ze
rusten, gezichten klein en het handschrift oud.

Er is glas om je aders te laten springen.
Er is een muur om je te vergeven.
Er zijn gedichten, ze wiegen als oude profeten.
Er is een dag die ’s morgens weer begint.

Een leven is een groot klein land, soms
in oorlog, soms waait er vrede door
als bladeren in hevige wind en
geeft de wijn licht aan wie hem drinkt.

Een leven is een groot klein land,
onafhankelijk verklaard, met vlag en stem.
Maar ’s avonds roept het: kom bij me liggen,
we sluiten een verdrag en slapen in.

Nu Palestina en Israël in brand staan (het ene veel meer dan het andere, al jaren…): dit gedicht dat ik ooit schreef voor een van mijn geliefde dichters. Hoe missen we nu de zachte, invoelende, geduldige stemmen, van beide kanten…

Krassen

Bestaat er in de muziek een woord voor klanken die op je “inslaan”? Ik bedoel dat niet negatief, niet dat het pijn doet. Ik bedoel de intensiteit die ze plots loslaten. Hoe vaak al heb ik die beginmaten gehoord van Almost cut my hair (Crosby Stills Nash and Young, van hun plaat Déjà Vu), die noten die met zoveel kracht in je geslagen worden, maar ik blijf er stil van worden. Wat is die intensiteit?  “I’m not giving in an inch to fear,” zingen Crosby en Co. Is het dat? Waarom slaat de piano in Blind Willie McTell nagels in mijn vel? Wat een kracht, wat een melancholie tegelijk. Want niemand zingt de blues zoals Blind Willie. Is het die onderhuidse pijn van het leven die ik hier voel? En die Dylan vaak probeert uit te drukken?

Klassieke muziek krast niet zo op mijn ziel, denk ik. Ik zou ze niet kunnen missen, Bach die zijn noten opentrekt tot in de zeven sferen, Gershwin en Ravel die hun orkest altijd weer verrassend laten zingen, en al die andere grootmeesters. Maar zo’n snijdende bluesgitaar, dat is rauw vlees soms, dan weet je weer hoe kwetsbaar je lichaam is. Wat is die intensiteit die je voelt als Nina Simone of Jacques Brel je “slaan” met hun stem? Ze zijn niet bang, ze zetten een grote bek op tegen de pijn van het leven, misschien is het dat…

Daarnet, in het derde deel van Charlatan, Arno zien zingen, met die geweldige stem van hem. Ook hij slaat soms. En op die momenten denk je: merci, Arno…

Spellingkoorts

Weer spellinggedoe in de media. Lijkt wel een chronische aandoening, die spelling, met regelmatige koorts waar specialisten zich dan over uitspreken. Nu is het de dt-regel die koorts geeft.

Dat mensen verkeerd spellen, dat zal altijd blijven. Spelling is een afspraak. Maar ik vind het een aberratie in spelfouten de aanleiding te zien voor weer een spellingverandering. Er spelen toch ook andere elementen mee? Zoals een gedeelde literatuur, die zo vlug veroudert als ze in een oudere spelling is geschreven. Engelse en Franse lezers kunnen hun schrijvers, soms van eeuwen terug, blijven lezen zonder daar een gevoel van vervreemding bij te voelen, alleen al door het feit dat hun spelling al die tijd onveranderd is gebleven. Is die toegang tot gemeenschappelijk erfgoed niet belangrijker dan het willen morrelen aan een dt? 

Waarom mensen zo kwaad kunnen worden op slordige spelling, dat is toch omdat ze er hun erfgoed in bewaren: al die boeken die ze gelezen hebben, al die eigen woorden en zinnen in hun hoofd, hun eigen geschiedenis van leren lezen en schrijven, van leren een ontwikkeld mens te worden in een gedeelde cultuur. Die koortsspecialisten lijken dat niet te beseffen. Zoals een doktoor die enkel zijn uitslagen bekijkt, ook niet de mens en zijn gehele leven voor zich ziet…

Niet de spelling is een probleem, maar de halve aandacht die we eraan geven. Spelling, dat zijn duizenden foto’s die we in ons hoofd maken, zei ik in de klas. Geef er de juiste volgehouden aandacht aan, dan is er al veel opgelost (voor een dyslectische kind ligt het ingewikkelder, maar daar hielden we rekening mee). Als de hoeveelheid spelfouten op tv en in de krant groeit, dan ligt dat niet aan de spelling, maar wel degelijk aan het groeiende gebrek aan geconcentreerde aandacht. Herlezen wat je geschreven hebt, zo eenvoudig is het nochtans. Aha, twee keer vertragen (herlezen/rustig), dat gebeurt dus niet meer. Onze opgejaagde, dysfunctionele tijd… Die ondertitelaar op tv, die redacteur in de krant, ze schrijven en beseffen niet dat ze met openbaar gedeeld waardevol materiaal aan het werken zijn. Mochten ze beseffen dat woorden en zinnen van ons allemaal zijn, gekoesterd worden door ons allemaal, schreven ze misschien wel correct. Uit respect voor iets groters dan hun eigen kleine ongeduld… 

(Nu ik toch bezig ben: ik maak me meer zorgen over het Engelse woordbeeld dat als een virus onze Nederlandse samenstellingen aantast. Voorbeelden alom: computer programma, vakantie afspraken, project ontwerp).

(foto: Watou 2017)

Baard

Ik vergeet soms mij te scheren. Dat is niet erg, niets om je zorgen over te maken. Want na een paar dagen sta ik voor de spiegel en zeg ik bij mezelf: tiens, er staat precies iets op mijn gezicht. En dan valt mijn scheerfrank, en start ik het ritueel van warm water, inzepen, schrapen, betten en een drupje afterdinges. In de lockdown heb ik even overwogen om echt in scheerstaking te gaan, maar dat was een beetje flauwe nijdigheid. Heb ik dan ook maar niet gedaan. Trouwens, alle pogingen om een volle baard te kweken zijn bij mij jammerlijk mislukt, wegens te weinig baardtalent. Dit gezicht van mij groeit niet mooi haardicht, bij mij geen donker net geknipt gazon zoals je dat wel ziet bij de echte baardmensen, maar een kweek met gaten, esthetisch niet zo verantwoord. De paar keren dat ik op reis mijn baard heb willen laten staan, waren net goed genoeg om er een spelletje mee te spelen: telkens een beetje minder afscheren, en dan zien wat het resultaat was, in een poging om voor korte tijd iemand anders te zijn. Bakkebaarden en snor zoals Romain De Coninck, of Jacobse en van Es. Mexicaanse hangsnor met gangsterblik. Enfin sterke persoonlijkheden dus, geen Dali-krulstreepje of onderlipdotje.
Maar goed, het is wat het is, een Blauwbaard zal ik nooit worden. Ik zag ooit een Zuiderling met een baard zo zwart en zo glanzend, dat hij een blauwe schijn over zich had. Toen begreep ik het verhaal van Blauwbaard: een waarlijk buitengewoon schone man, met een prachtige baard, die geen moeite had om de vrouwen te vinden die hij later zou vermoorden. En ja, ooit liet ik mij scheren in Turkije, door een echte barbier, en dat was een belevenis: klapmes, centimeter dik scheerschuim, warme doeken, wolken parfum, iets met mijn snorharen, massage, kleine klapjes van tevredenheid op mijn wang. Zo goed zal ik het nooit kunnen, dus doe ik het maar onregelmatig, als het mij invalt, aan de spiegel.

Pijltje

 Aan het wandelen in Lozer, een stil dorp met veel bomen, want meneer de baron had er veel rond zijne maisonette staan. We lopen zelfs door een echt beukenbos, in deze vroege lente een verzameling lange basketters die niets zeggen, wachten tot we weer weg zijn en ze verder kunnen trainen.

Uit het bos, op de wegen rond het dorp, is veel hemel.

Ineens zie ik voor mijn voeten een pijltje van niks, geschilderd aan de rand van de weg. Geel, beetje amateuristisch geklad, wijst naar rechts waar enkel een gracht is, enfin een klein raadsel. Wat doet zo’n minipijltje hier heel alleen, in een land waar verkeersborden en -pijlen graag in groepjes dicht bij elkaar staan?

Zou het kunnen, dacht ik, dat de vogels in de lucht hun eigen verkeerstekens hebben, gelakt op de grond? Dat ze met hun scherpe oog genoeg hebben aan zo’n klein geel dingetje om te weten dat ze hier rechtsaf moeten?  Misschien begint hier, in Lozer bij Oudenaarde, voor hen wel de grote vliegweg naar het zuiden, hun aéroroute du soleil?

Ik verzamel graag vragen zonder antwoord…

Met de fiets of de auto had ik het gele dingetje niet gezien, dat is zeker. Te voet kijkt een mens toch af en toe eens naar de grond, of er niet teveel putjes en putten in weg zijn. En misschien ook om, stiekem, te genieten van zijn eigen benen. Het is grote kunst, gaan, stappen, lopen: voorover vallen, even in de lucht hangen, evenwicht houden en weer landen. Springen is lastig, liggen is lui, hogere esthetiek dan een rechtopstaand en bewegend lichaam is er niet. Daarin vervoegen mensen de bomen, die staan ook niet te geloven rechtop. Bomen en stengels, soms hebben ze een natuurlijke elegantie. Sommige mensen hebben dat ook, ze staan en gaan alsof er een fijne golf door hen trekt, van kleurrijke Afrikaanse mama tot Italiaans heertje met sjaaltje tijdens de avondwandeling. Maar hoe dan ook, esthetisch of niet, stappen doen we, en bij ieder van ons blijft het een wonderlijk ding, we zijn jongleurs met ons eigen lijf. En ondertussen halen we adem, babbelen we, zien we de verre wolken en de gezichten van tegenliggers, horen we de vogels tekeer gaan, alsof ze op het conservatorium zelf zitten. En af en toe krijgen we ook een geschilderd vraagje te zien, een vraagje voor het plezier van het vragen, zomaar, omdat mensen dat kunnen…

Boeren

’t Is weer het seizoen dat de boeren artiesten worden.  Van de velden grafiek maken. Zaad in de grond stoppen, een toverspreuk erbij, en hop binnen enkele maanden wuift het koren.

Boeren zijn een bedreigde mensensoort. Ik heb het niet over de agro-industrie, dat is zoals de naam het zegt een industrie: het grote geld koopt massaal gronden op en maakt van de boeren horigen, in het beste geval onderaannemers. En dan maar monocultuur monocultuur monocultuur.

Ik heb het over de boeren zoals Timmermans die beschrijft in Boerenpsalm. Een boer is iemand met zijn voeten in de aarde, zodat hij daar het leven voelt, en zijn kop in de lucht als een boom, zodat hij weer en wind en zon kan zien en proeven. En dan, tussen die twee uitersten, zijn kleine Genesis: de eerste dag een veldje of twee graan zaaien, en ’s avonds zien dat het goed is. De tweede dag een kalveke laten geboren worden, het droogwrijven met wat stro en dan bewonderend staan kijken hoe het al wankel op zijn pootjes recht wil komen, dat zit goed in elkaar zo’n beest. De derde dag een veld prachtasperges oogsten, en zien dat ze geweldig zullen smaken. De vierde dag petoeters rooien, en de kinderen van de buurt leren hoe ze in het dorre loof de restjes kunnen poffen, dan zullen die zelf wel glunderen dat het goed is. De vijfde dag mooie rijen ploegen, dat de klei glanst in zijn vel, en content zijn van je werk. De zesde dag eieren rapen, die kippen willen ook respect voor hun werk, het zijn trouwens schone eieren, stuk voor stuk volmaakte vormen. De zevende dag wachten, en alles de tijd geven om te worden wat het worden moet. En ook dat is goed.

Voilà, dat is het soort boer dat ik in mijn jonge jaren heb gekend. De mensensoort die nu bedreigd is. John Berger beschreef in zijn meesterlijke Het varken aarde de ondergang van de kleine Alpenboer. Ik hoop dat die ondergang onze boeren bespaard zal blijven. Ze zijn vindingrijk, werken met inschrijvingen, laten mensen zelf plukken, werken veel meer lokaal, veel kleiner ook, minder afhankelijk van de banken. Ze zaaien andere gewassen dan hun vader deed, ze huren percelen van de stad, ze verbouwen in de stad, op de daken, enz. Misschien moet het eerst erger worden, voor het weer beter gaat…