“Ik ga maar en ben”

IMG_5772

Ik ga maar en ben, schrijft de Zeeuwse dichter J. van Schagen (in zijn gedicht ‘Narrenwijsheid’). Sterke versregel. Er zit een mooie schwung in. En die ‘maar’ in het midden verkleint niet, maar trekt eerder de aandacht: wie is die mens die zo over zichzelf spreekt. We krijgen geen zelfrelativering in deze vijf woorden. We krijgen een kleine hymne, aan het leven dat stroomt en ons verwonderd achterlaat. En dat dat genoeg is om een leven te vullen…

Vandaag ging ik maar en was.

Vanmorgen zag ik strepen in het oosten, maar daarna liep de lucht vol licht- en donkergrijze waterverf. Altijd mooi, zo in het atelier bij de kunstenaar te mogen zitten, en kijken.

Dan stuiterde de regen voorbij. Je ziet hem pas als je hem hoort, de regen. In zijn wapperende jas hield hij even stil voor het raam en joeg dan weer verder.

De takken van de bomen hielden nadien druppels vast, zag ik. Heel lichtjes wiegen, en een klein stukje hemel in zo’n druppel.

Aan het ontbijt verdeelden we de krant in tweeën. Soms keken we op en zagen we elkaar. Niets wereldschokkends, en dat was net de bedoeling.

Ik ging op bezoek bij een oud-collega die ziek is. De pijn was hem aan te zien, maar hij hield zich sterk. Hij gebruikte het woord ‘sterfelijkheid’ toen ik er zelf ook aan dacht. In mijn vriendenkring wordt de jongste tijd duchtig geschud aan die sterfelijkheid.

Even weer uit het raam kijken. Weten dat de wereld bezig is, is dat genoeg?

Een glas water kan smaken.

Een klein gehaktbroodje in de palm van een rode paprika. Twee geperste sinaasappels als desert. Daarna moet ik mijn gulzige zelf bedwingen bij de koekjes.

Ben ik mij genoeg bewust dat er ook geen eten zou kunnen zijn?

Daarom denk ik af en toe eens bewust aan mijn geliefden. Even hun foto’s aflopen in mijn hoofd. Ze konden er evengoed ook niet meer zijn.

Vandaag geen vergadering. Noch een bepalende telefoon. Ik mag vergeten worden. (Maar ook niet teveel.)

Naar de huisdok, voor elk een griepprik. Hij zal weer zijn verrassend directe zelf zijn, de huisdok. Ik moet dan altijd even grinniken. Merkt hij dat ik dat plezant vindt, zijn stijl en mijn lachen?

Weer regen. Noem je een lichaam dat niet ergens begint en ook niet ergens ophoudt, een lichaam?

Telefoontjes. Boodschappen. Een boek. Alles wat er moet zijn, is er vandaag.

De bomen bij het huis zijn alle bladeren kwijt. Blijft over: wachten. Misschien in stilte en ongezien wat werk opknappen binnen in de stam en de takken: leidingen herstellen, de plannen overlopen voor volgend jaar, het materiaal voor de knoppen al klaarleggen.

De avond valt. De werkelijkheid heft zich grotendeels op. Een soort ongrijpbaarheid komt in de plaats: diep dik zwart. Ben altijd blij als ik nu ergens kan ophouden met gaan. Voor dat zwart leeft in mij een soort voorouderlijke vrees. Graag ergens een plek nu. Ook voor mij. Dank u zeer, in naam van dit kleine lichaam van mij.

 

Advertenties

Blinkende straat

Leonard_Misonne_Rainy_Street_with_Tram_in_Brussels

Avond. Ik loop door de stad. Het is een brede straat waarin ik loop, met in het midden plaats voor de tram. Altijd gehouden van trams. Ze zijn ons aller voertuig, van u en ik, oud en jong, rijk en arm. Kan geen limousine tegenop, al oogt hij nog zo gladjes.

Het heeft geregend en de straat blinkt. Er liggen overal plassen, met schijn in. De ramen blinken ook, maar dat doen ze nogal vaak. De tramsporen blinken. Sommige voordeuren blinken ook, valt me nu op. Hier en daar brandt licht.

Beetje speciaal toch hoe zo’n straat niet louter een stilliggend ding is, waarover bewogen kan worden. Zo’n straat beweegt ook mee. Met mij, nu ik hier aan het wandelen ben. Met de voetgangers die mij tegemoet komen, twee die al stappend hoofd tegen hoofd selfies aan het maken zijn, eentje met een diepe kap over het hoofd, twee aktentassen die druk gesticuleren in een vreemde taal, een wat scheve vrouw, of ze oud is kon ik niet goed zien.

Dan denk ik, maar nu spreekt de toeschouwer die ik ben: wat een mooie beweging. Ik glijd daarheen, zij glijden hierheen, en de straat wiegt in beide gevallen mee. Alleen als de tram voorbij komt, heb ik altijd het gevoel dat de straat mee naar voor kantelt, om het gevaarte wat te helpen.

En de huizen? De huizen wiegen vanbinnen. Een licht gaat aan, een licht gaat uit. In een kamer tikt de verwarming, in een andere tikken de stemmen. Je hebt natuurlijk huizen en huizen. In sommige straten staan ze strak van deftigheid, in andere lijken ze op de bank voor hun eigen deur te zitten, met bretellen en een marcelleke aan.

Daarnet afscheid genomen van een vriend. Hij loopt nu in een andere verregende blinkende straat. Ik voel hem bijna in mijn achterhoofd stappen. Hij heeft een aanstekelijke lach en een blinkende schedel, mijn vriend.

En zo let ik weer op de plassen overal. Plassen in een stad, je zou van minder opgeruimd raken. Leonard Misonne heeft in de jaren dertig van vorige eeuw waarlijk schitterende foto’s van regenachtig Brussel gemaakt. Hij heeft meer prachtigs gefotografeerd, Misonne, maar check maar eens op tinternet zijn Brusselse blinkende straten.

Goed toch, denk ik, dat er veel meer mensen willen rondlopen, gewoon om te kijken, en hier en daar iets te onthouden.

Sneeuwen

IMG_6602

Ik ken geen radicalere uitwisser dan sneeuw. Het begint met de lucht waaruit die sneeuw valt: een zwaar dekbed dat over de huizen en de straten is gelegd. Alle grote ruimte boven ons hoofd weg. We leven onder een laag plafond.
Dan sneeuwen de daken vol. Het gevolg is dat ze bijna vanzelf overgaan in dat witte dekbed. Zoals je een wit blad papier plakt op een wit blad papier. Je ziet wel een naadje hier en daar, maar diepte, neen.
Dan verdwijnt de hele straat: alle volumes platgedrukt, alsof ze inderdaad door reuzenvingers uitgeknipt zijn en op dat dekbed gekleefd, dat nu ook al tot op de grond is gezakt. 
Vanop afstand lijken de bomen wat potloodkrabbels op dat grijs en wit. Van dichtbij bestrijkt de sneeuw de takken met een laag wit en heft ze daarmee ook al min of meer op. Straks is er niets meer te zien, behalve rechtopstaand, allesomvattend wit. 
Alleen die verdomde verticale muren, die zijn lastig om uit te wissen. Een boomstam kunnen de vlokken nog wat inpakken, maar de vele muren moeten dan maar kleurlozer en kleurlozer worden, dat je ogen ze bijna niet meer herkennen als muren, maar enkel als onbetekenende vlekken tussen al dat wit.

Waarom dan worden mensen zo aangesproken, als sneeuwen alles toch radicaal wegvaagt?
Het is het geweldloze van het hele gebeuren. Sneeuw klettert en schudt niet als onweer, overspoelt niet als groot water, rookt de wereld niet uit. Sneeuw lijkt zo beschaafd. Zo geciviliseerd in stap en gebaren. Sneeuw spreekt zachtjes, en met duidelijk verzorgde manieren. Niet voor niets schreef Andersen over een sneeuwkoningin. Zo’n koningin laat, waar ze ook aankomt, meteen voor zichzelf een kasteel optrekken.
Misschien is er nog een andere reden voor de sneeuwromantiek. Sneeuwen is een diepe meditatie. Sneeuwen schrapt het overtollige, houdt uiteindelijk maar een paar dingen over, en helpt ons om er lang naar te (leren) kijken. En de meditatie zit ook in het vallen zelf, het geleidelijke verdwijnen. Daarom inderdaad het werkwoord: sneeuwen. Sneeuwen is verstillender dan sneeuw. Dat laatste ondergaat weer het lot van alles op aarde: het is er, het blijft er een tijdje, dan smelt het en verdwijnt.
Maar die sneeuw is dan weer zo’n geweldig speelgoed: om mee te gooien, om sneeuwmannen mee te maken, om in te glijden. Wie, al is hij honderd, wil niet de sensatie missen om zijn voet in maagdelijk dons te zetten? Wie wil niet, voor even, in een andere wereld treden? Dat is reden numero drie, en die brengt het kraaiende leven terug in die overbeschaafde witte gangen en kamers. Allen weer zes jaar, of ongeveer.

Wind

IMG_5844

De herfstwind is roerig bezig rond het huis. In de bomen zwiepen de takken, en dat gaat gepaard met opstootjes van geluid, ik kan het niet anders noemen. Kleine vinnige crescendo’s. Daarachter een verre zee van gegrom, minder massief dan de snelweg maar even aanwezig. Stiller, en dan weer aanzwellend.

Net zo speelde vorige week de Canadese pianist Marc-André Hamelin in de Gentse Handelsbeurs de appassionata-sonate van Beethoven: felle contrasten, schermutselingen die dan weer gevolgd werden door een stiller soort klanken, met daarin veel even mooi klinkende stiltes. Het lukte hem allemaal, de pianist, het geweld van zijn handen op de toetsen was niet lomp en zwaar, de voorzichtige vingers gaven geen blikken klank, ook niet in de hoge nootjes. En zijn wachten en luisteren was juist. Wij luisterden met hem.

Ik heb er altijd al van gehouden, van de sonates die de wind speelt, al van toen ik klein manneke was. De bomen rond het ouderlijke huis zwiepten niet alleen, ze kraakten ook soms in hun stammen. En in de gang bij mijn slaapkamer kon de wind huilen als een eenzame hond. Maar de hoeve lag dan ook in de polders aan de zee, soms dus helemaal omsingeld door een wind zonder maat, die nog dacht dat hij op zee was, en het rijk alleen had. Het mooist was als ik een droge plek had om ernaar te kijken, naar die oorlogsvoering. Bijvoorbeeld onder een afdakje. Daar trok ik zelfs naartoe bij stormweer, als bliksem en donder meededen. Het eindeloze westen, boven dat platte, zwarte land, was toen mijn cinemascope-scherm.

Waar ik nu woon, aan de rand van Gent, had je vroeger hele rijen ratelpopulieren. Als de wind zo tekeer ging, liep ik graag tussen die grote wezens. Sommige bomen zijn inderdaad getalenteerder in muziek maken dan andere. Ik moet zeggen, het populierenkoor beviel mij zeer. En de wind toonde zich een bedreven dirigent.

Maar de bomen zijn voor het grootste deel gekapt. Kaprijp, noemen ze dat dan. Alsof zo’n boom niet op zijn eigen manier oud mag worden. Ik hoop maar dat ze dat straks niet van mij zeggen. Hij sukkelt een beetje, misschien is hij wel kaprijp. En dat ik dan afgevoerd word, naar het kapcentrum.

Stilering

 

IMG_5823

In Angers (prettig studentenstadje) ontdekken we tot onze verbazing een uitzonderlijk kunstwerk: de tapisserie de l’Apocalypse. Uitzonderlijk in zijn monumentale grootte (zo’n 100 meter lang, 4,5 meter hoog), in zijn verbeelding, in zijn details. Historica Barbara Tuchman noemde de 14de eeuw al de “waanzinnige eeuw”. Hier zie je de diepe onrust en angst waarin die eeuw moet gebaad hebben. Pest, hongersnood, oorlog, verwarring over goed en kwaad, het Apocalypsverhaal heeft het allemaal, en je ziet het tafereel na tafereel groeien. Hoewel: op het einde wint het hemelse Jeruzalem: de verbeelding van het goede blijft sterker dan het kwaad.

Maar los van de bijbelse verbeelding raakte mij de kleine verbeelding, tussen de personages en in de doorlopende strip onderaan: abstracte motieven die zich herhalen in vorm en kleur, uiterst verfijnde weergave van grassprietjes, bijna moderne stilering van bomen en bloemen, een plotse grap (een konijn duikt in een gat onder de grond en komt er vijftig meter verder weer uit…).

Hoe is het mogelijk, denk ik dan, dat de zin voor stilering, voor vereenvoudiging, voor abstractie van alle tijden is. Daar lijkt het woord vooruitgang niet op toepasbaar. Net als de vogels en de bloemen worden mensen blijkbaar geboren met de gave tot versieren. De tekenaar in Lascaux die met enkele lijnen een bizon tot leven riep. De aboriginalschilder die haar landschap versmalde tot enkele kleurvlakken, en het toch nog herkenbaar maakte. De steenkapper die de toegangsdeuren van de kerk versierde met geometrische motieven.  De Afrikaanse maskersnijder, de middeleeuwse frescoschilder, de Japanse kalligraaf, ze vertellen niet alleen, ze voegen er ook zoveel meer aan toe: net dat kleine detail dat het geheel ongrijpbaar mooi maakt…

IMG_5805

IMG_5822

IMG_5808

IMG_5807

IMG_5810

IMG_5811

IMG_5815

 

 

Beetjes licht

IMG_3121

Ooit vertelde een vriendin een verhaal dat ik nooit vergeten ben. Ze was op een soortement training voor leerkrachten om te ervaren wat het is blind te zijn. Ergens op een boot, als ik me goed herinner. Het lokaal waarin ze stonden en wachtten, was inderdaad pekkedonker. Van dat donker dat noch voor noch achter, noch boven noch onder heeft. Toen ging er in het lokaal naast hen een licht aan. Wellicht was dat niet de bedoeling maar de schijn die door het sleutelgat van de deur kwam, was, o wonder, meer dan genoeg om weer vormen te zien, volumes, afstanden. Je houdt het niet voor mogelijk. Zo’n ietsiepietsie beetje licht, en onze ogen en ons lichaam weten de weg.

Dat verhaal is me bijgebleven omdat ik er een groot respect voor beetjes licht aan overgehouden heb. Wat ze kunnen, beetjes licht, vergeten we zo gemakkelijk, gewend als we zijn aan spots in alle grootten en maten. Bijvoorbeeld zo’n kaarsvlam, die mensen al eens gebruiken om iets van hun binnenste verlangens te ondersteunen. Alle respect nu voor zo’n minischijn. Ik begrijp nu ook beter alle eeuwenoude beeldspraak rond licht: het licht van de wereld, het licht in je ogen… Er hoeft inderdaad maar een twinkeling in ogen te zitten, en ze glanzen in al hun mysterie. Ik begrijp nu ook beter waarom iemand maar gewoon een luisterend oor nodig heeft om er weer wat bovenop te komen. Dat is zo weinig, maar blijkbaar, net als dat onooglijke stralen door het sleutelgat, genoeg… En ik zal nu twee keer nadenken vooraleer ik iemand nog een klein licht noem. Wie weet wat dat kleine licht nog allemaal doet oplichten…

Merkwaardig genoeg is het een van zonlicht overstromende herfstnamiddag, die de herinnering aan het blindenverhaal opriep. De bruingele bladeren van de Japanse kerselaar lijken wel te gloeien, zoveel licht is er uitgegoten. Geprezen zij het hele grote licht, dat het ons elke dag een volledige wereld geeft, voor en achter, onder en boven. Het blijft toch niet te bevatten dat alles in dat grote licht zijn bestaan vindt, zijn kleur, zijn randen, zijn schaduw. Dat alles er in mag en kan bestaan. Een zee zou het allang weggespoeld hebben. Maar niet het grote licht, dat is van een totaliteit en een zachtheid tegelijk. Dat vind ik troostrijk, mag ik het zo zeggen?

Doorregenen

IMG_8765

Als het een dag stevig doorregent, dan komen soms beelden van de polders in mijn hoofd. Dat platte land is er een van extremen: ofwel stroomt al het zomerlicht over in die grote lege ruimte, bijna niet om aan te zien zo fel, ofwel krimpt die leegte in grijze nattigheid. 

Als het een dag stevig doorregent, zie ik soms nog dat verzopen slijk van de geploegde velden, die dorpen met hun ingetrokken schouders en hun kop in kas. Zolang je de wolkenmassa’s nog ziet voortjakkeren, lijkt het of de wereld morgen weer zijn normale afwisseling zal krijgen. Maar soms daalt over de polders een loden plaat, perst mens en dier en luchten ineen tot een soort voorhistorische zwaarte, waarin je beter kunt zwijgen om niet nog meer adem te verliezen. Mensen uit de polders zijn grote zwijgers.

Ik had een collega geschiedenis die beweerde dat het jansenisme in de polders (zeker in het westen) nog zijn rol speelde. Allicht niet meer bewust doorgegeven, maar wel nog onderhuids aanwezig in de werkethiek, en misschien toch ook in een gemoed dat last heeft van zwaarte.

Hoe dan ook, ik denk dat het uitregenen van een streek die in de zomer op barsten staat, daar ook een rol in speelt. Als sommige dagen als een strop dichtgesnoerd zijn, als de boeren tot een halve meter in het slijk staan in het bietenseizoen, als de winden gieren of het helemaal windstil is, als het altijd lijkt of het half avond is, als je nauwelijks nog iemand ziet op straat, ja, dan lijken de polders soms meer op een gevangeniscel dan op dat grote schip vol ruimte dat in de zomer voorbijvaart.

Zou er iets veranderd zijn, nu iedereen een auto heeft en naar de stad kan om te werken, te shoppen, iets te verteren? Dat zal wel. Dat hoop ik. Ik hoop dat ze de strop kunnen lostrekken, zich niet meer laten opsluiten. Ik hoop dat de mensen hier minder “le cœur à marée basse” hebben, zoals Brel zingt. Als ik zijn lied beluister, blijkt hij de polders goed begrepen te hebben.  

Ik hoop dat de regen ook in de polders een zicht uit de duizend kan worden. Want dat is hij, de regen: die sluiers, dat ruisen, dat gedrum, die plassen, dat licht dat in stukjes wordt gehakt, die geuren, die merkwaardige frisheid. Regen moet doen waar hij goed in is: een lucht laten struikelen en vallen, een groot bewegend lichaam zijn, zijn eigen vreemde muziek maken, en zo voorts. Maar niet mensen dagen en weken opsluiten, in hun huizen, in hun hart.