Windstilte


Het was wonderlijk, vorige vrijdagmorgen: totale windstilte in de lucht. Hé, dacht ik, hoe wonderlijk: niksniemendalnihil beweging in die grote lucht rondom mij.  

Hoe ik dat zo precies weet, van die windstilte? Ik kijk uit op de blaadjes van de kerselaar voor mijn raam. Normaal bewegen blaadjes altijd, dat is hun elegantie, ze wiegen zoals sommige mensen gaan: met een verfijning die zelfs de kleinste beweging mooi weergeeft. Of zoals sommige mensen subtiel kunnen glimlachen: enkel het werk van een paar spiertjes.

Zo’n brede bladstilte kom je soms tegen als het avond wordt, als de dag eerst een diepe zucht heeft uitgeblazen, er eens goed bij gaat zitten en niets meer hoeft te doen dan heel zacht ademen. Maar nu was het ’s morgens al van dat. Ik denk dat de zomer stilletjesaan zijn geweld beu raakt. Al dat verschoeperen (algemeen beschaafd dialect voor verbranden), de tuin krimpt ervan, de bladeren gruwen ervan.

En ook het zware autogeluid is weg deze morgen. Geen wind, geen geluid. Zouden de winden in staking gaan? Tegen dat zware transport van lawijt, het eeuwig lelijke geschuur van motoren?

Maar goed, laat ik mij niet meer opwinden. Even alle kift en kibbeling weg, alle opruiing en oproer, gehakketak en trammelant. Dit is een mooi stukje dag. Laat ik ervan genieten. Horas non numero, nisi serenas: Horatius wist het ook. Die telde de uren niet, zei hij, behalve als ze vol vrede waren…

Dierenogen

In dierenogen valt hetzelfde licht
als in het oog van mensen.
Het levende schept adem uit één bron

(Maurits Mok, Levenden)
(foto gemaakt in Vitry, voorstad van Parijs, in een onooglijk zijstraatje, onderaan een muur, je moest al bijna bukken om de afbeelding te zien. Maar die artiesten trekken zich dat half verborgen werken blijkbaar niet aan, het gaat hen om het maken…)
(mooi is die klimplant die voor haar oor valt, als een speciale versiering van het toeval…)

Verhalen…

We hebben een woonkamer waar nogal wat prutserijen in staan. Een stukje vermolmd hout uit de Sahara, fijne kolommetjes uitgehold naast elkaar. Een woestijnroos, ooit gekregen van een vriendin. Baobab- en andere vruchten van toen we met 4×4 door Noord-Australië reden. Klein geëmailleerd vrouwenbeeldje dat onze jongste zoon in een moment van inspiratie bijeen heeft geduwd, waar het gebakken is moet ik weer even vragen, maar ze staat er, armen over elkaar, met zoveel zelfbewustzijn naar ons te kijken. Een prachtige doorntak, zo lang als onze arm, bewaard uit een of andere bloementuil. Een stuk geblazen glas, voor als de avondzon nog even in wil blijven hangen. Chinese gewichten, snoepjes in glas, twee repen eucalyptusbast, prachtige houten letters (oa een ampersand!), een GroteOorlog-beeldje uit de Westhoek, gekregen van een andere vriend, een Australisch doosje in geurig sassafrashout…

Denk nu niet: staat daar ook een tafel, met misschien een paar stoelen? Die staan er ook, en die prutserijen vallen echt niet als eerste op. Maar ze spreken, hoe onbelangrijk ze ook zijn, allemaal op hun manier…

Toen de kleinzoon, na de eerste coronagolf, weer mocht langskomen bij de oudjes, liep hij het huis rond, enthousiast dat alles er nog stond. We bekeken samen een aantal van die onopvallende kostbaarheden, en ik vertelde waar we die onderweg gevonden en meegenomen (een aantal heeft hij eerder al gereserveerd voor als wij er niet meer zijn…). En net als ik weer iets vastneem en wil beginnen vertellen, roept hij uit: maar jullie hebben zoveel verhalen!
Dat vond ik nog de mooiste kleine kostbaarheid, die uitroep…

De hand van de schilder

Kijk goed naar deze foto’s: dichter kan je niet komen bij de hand van Van Gogh, Rembrandt en Ensor…

Wie goed luistert, hoort zelfs het strijken van de verf. Bij Van Gogh nadrukkelijker, gejaagder dan bij Rembrandt, die hier zijn zachtste borstel gebruikt, want hij wil de parel van het Joodse bruidje niet alleen glans maar ook liefde meegeven (want is ze niet ook een parel, zoals ze daar bemind staat te wezen…) En Ensor blijft zijn eigen sarcastische zelf, je ziet hem bijna met wat stompe borstel de oogpitten erin duwen…

Kathedraal

We reden van Ronse naar Doornik, over dat licht heuvelende landschap waarvoor Claus een onvergetelijk beeld bedacht (“land als een laken dat zinkt”), en zagen plots die vijf torens opdoemen in de verte. Als je bedenkt dat het op ons als 21ste-eeuwers al zo’n indruk maakt, dat silhouet, hoeveel te meer dan voor de middeleeuwse mens die te voet of met koets en paard de stad plots ziet liggen. En nadert, en door de poorten binnengaat, en dichter bij de torens komt, en een droom ziet die echt is. Een visioen dat je kan aanraken. Dat je opneemt en niet verplettert. Dat van duisternis licht maakt. Van stilte muziek. Van ruimte betekenis.

De wallen zijn weg en de huizen en straten herbouwd, maar tot op vandaag trekken die vijf torens de stad de lucht in, je kan het niet anders zeggen. Sommigen zullen allicht de landing op de maan noemen, maar ik vind kathedralen bij de meest indrukwekkende menselijke prestaties horen. Het lef van de architecten, het geduld van de bouwers, het stilleggen van tijd, het aankleden van ruimte. En in alles de maat gezocht en gevonden, omdat hier een religieus verlangen wordt gediend, en niet de macht van een instituut (zoals in de bulldozerafmetingen van de St Pietersbasiliek in Rome, of een waanzinnig geworden toren in Dubai).

Er wordt danig gewerkt in de Doornikse kathedraal. Dat komt omdat eind vorige eeuw een tornado het gebouw nogal heeft geduwd en gestompt. Maar ook dat is betekenisvol: de grote wereld daarbuiten lijkt bij vlagen sterker dan alle menselijke vernuft. Net daarom moet er zorg worden gedragen voor al wat groter is dan ons kleine mensen, en ons beschermt. Of het nu deze onbevattelijk hoge kerk is waarin straatventer zowel als rijke koopman kunnen schuilen en stil worden, of het zijn instituties als een onafhankelijke rechtspraak en vrije verkiezingen, of water en gezondheidszorg voor iedereen: die grote beschermende armen zijn nodig om goed te leven… En vandaag zijn het niet alleen tornado’s die stenen uit de muren willen trekken, de Trumpen van deze wereld proberen het steeds openlijker zelf ook…

Abstractie

Waarom is zo verzot ben op abstracties in de werkelijkheid, weet ik niet. Overal zie ik lijnen, vlakken doorschemeren, alsof de wereld maar de concrete toepassing was, de uitwerking in voorbeelden van een diepere werkelijkheid. Zoals iemand ooit schreef: aan de oppervlakte ligt de diepte.

Ik zie golven, ik zie herhalingen en tegenstellingen, ik zie patronen in kleur en licht. Toevallig geschilderde abstracte meesterwerkjes zie ik, geborsteld, getint, uitgewreven door toeval en tijd. Ik zie hoeveel zwart en wit er is in een wereld van kleur.

De wereld is canvas en beeldhouwwerk tegelijk. Licht en schaduw zijn onvermoeibaar bezig, de verf druipt, het gips is nooit droog, het brons nooit koud. Hoeveel werelden zijn er toch, vraag ik mij dan af, terwijl mijn ogen alweer een ander plaatje hebben opgemerkt. (Soms denk ik dat mijn simpele oren, die geen hogere solfège hebben gedaan, de muziek der sferen kunnen horen. Of toch bijna.)

Wat een genot om dan een fototoestel te hebben die die abstracties mee helpt vastleggen. Er zijn er die dan gaan zitten en beginnen tekenen. Maar de ongeduldigaard in mij heeft daar geen zin in (en zeg maar ook dat ik gewoon niet goed kan tekenen…). Maar nu: ik zie iets, roep mijn vriend toestel en samen zeggen we klik. En kijken dan of het goed is. Er is altijd nog een betere foto mogelijk, zegt mijn wijze vriend, en hup, een nieuwe foto, een nieuw overleg samen. (De bijgevoegde foto’s zijn van 1 avondwandeling aan de westkust van Bretagne. Ondergaand zonlicht, water, rotsen, meer moet dat niet zijn.)

Fotografeer mij ne keer, zegt mijn lief soms, in plaats van al die stenen en die schaduwvlekken. Maar ik glimlach dan, want zag ik daarnet niet twee prachtige glooiingskens in haar wangen…?

Lonken

Glasraamschoonheid

Je moet het maar kunnen: je ogen gesloten houden en een man toch de indruk geven dat je hem helemaal in het vizier hebt, hem voluit aankijkt.

Vrouwen kunnen dat.

Wij, mannen, denken soms dat we goed kunnen lonken, zo zijn wij, rap tevreden over onszelf. Maar hola, dit is lonken van een veel hoger niveau. Toen ik in Vannes deze glasraamschoonheid voorbijliep, leek het of ze net voor ik keek, haar ogen had dichtgedaan. En nu, met die kwartwereldbollen van oogleden, met dat kopke scheef, met die lichtjes opgespannen rode mond. tegen mij zei (zei? ja, ik hoorde het haar dicht in mijn oor zeggen):  kijk maar, hoor, je mag gerust kijken hoor, ik zie jou ook.

Zo gaat dat, mannen hebben geen idee van de subtiliteit waarmee vrouwen kijken kunnen. Hogere kunst.

Maar het was dat kleine lokske dat krulde op haar rechterwang dat me helemaal voor haar innam. Er waren dus ook dingetjes die ze, in haar kunst, niet in de hand had… “Het schone van natuur passeert toch alle const”, schreef Bredero, toen hij op een morgen had zitten lonken naar een vrouw die haar haar (“citroenich van coleur”) aan het kammen was.

Licht

Zijn het mijn ogen, dacht ik, of wat is het, dat ik deze zomer het licht soms zo fel vind. Kijk eens, riep ik dan uit tegen mijn gezelschap, wat een ongelooflijk licht toch, het blinkt gewoon in zijn vel.

Waarom, dacht ik, hebben we voor het licht geen aparte woorden, zoals voor de kleuren. Vermiljoen, karmijn, robijn, scharlaken, karmozijn. Azuur, ultramarijn, kobalt, indigo. Toen ik klein was, “spaarde” ik die kleuraparte woorden, ze droegen iets van de geheimzinnigheid van de wereld in zich.

Maar dat was buiten Het Juiste Woord gerekend, het synoniemenwoordenboek van dr Brouwers. Daar staan dan wel geen aparte woorden in voor licht, maar adjectieven des te meer. Helder en klaar licht kennen we allemaal. Maar kennen we ook mals licht? Mals en vet? Kennen we warm en koud licht? Levendig, fel, sterk, hard? Gemarmerd, gebiesd, foncé?  Valig, tanig, bleek, flets, gewaterd? Dof, mat, nevelig, opaak? De dichter Bloem spreekt van een fulpen hemel, een hemel met het aanvoelen van velours…

En dat is buiten schrijvers als Felix Timmermans gerekend. Ik hoef zijn boeken maar open te slaan, en de beschrijvingen van licht spatten me tegemoet. Licht als “fijn olie”, schrijft Timmermans. Of: “de honingkruik der zonne”. Pallieter, de nieuwe Adam, die ’s morgens “in zijn bloten flikker” in de Nete springt, en nadien boterhammen eet met “plattekees en radeskes”, roept tegen zijn Marieke: “Mieteke, zie na toch da licht, het is gelak muziek!”.

Ik zet er vier foto’s bij: een kleurenmuziekje met Ruth, een straat in Brussel, een gevel in dat wonderlijke luz de Lisboa en een hemel in Nieuwpoort…

(En kijk eens, nu staat het ook al in de krant: coronatijden hebben de hemel een beetje schoongeveegd, mijn ogen laten me niet in de steek…)