Better ones, invisible ones

IMG_4848

We volgden ooit de laatste reeksen van Downton Abbey. Boeiend gemaakte televisie.

Maar in Ickworth House (Suffolk) leren we de realiteit kennen: hoe het personeel letterlijk onzichtbaar moest blijven voor hun ‘beteren’; hoe hun kelderverdieping achter een hoge aarden wal wegstak, waarboven dan het eigenlijke grasveld begon, met enkel een sleuf om van de ene werkplaats naar de andere te kunnen gaan, altijd onzichtbaar; hoe bij de maaltijd lege glazen over de schouder gehouden werden, zodat de ‘beteren’ zich niet moesten omdraaien en het plebs aankijken; hoe die glazen altijd met handschoenen aan gevuld moesten worden, want de bediendenhanden waren vaak aangetast door het vele koperpoetsen; hoe dat plebs zich moest omkeren en wegkijken als ze buiten toch toevallig een van de bazen tegen het lijf liepen…

Engeland is een klassenmaatschappij, en blijft het. Je hoeft maar naar Cameron, en Johnson te kijken, producten van elitaire scholen als Eton en Oxford, en de arrogante capriolen waarmee ze het land nu met een scheuring opzadelen, tot gelaten onrust van de velen die er tegen over ons over beginnen.

In datzelfde Ickworth House komen we in de eetplaats, waar na de eerste wereldoorlog door de eigenaar een ‘peacemeal’ werd georganiseerd. Op tafel staan de foto’s van militairen uit de onmiddellijke omgeving,die door de lord of baronet of wat hij ook was waren uitgenodigd. Er waren lagere officieren bij maar ook gewone soldaten. Ik stel mij de bevreemdende situatie voor: mannen die letterlijk uit de hel zijn teruggekeerd en nu moeten aanschuiven aan een rijk gedekte tafel, in geest en tastbaarheid zo oneindig ver verwijderd van de oorlog waaruit zij waren teruggekeerd. Allicht zullen sommigen er zwijgend bijgezeten hebben. Anderen zullen gekomen zijn omdat je dat nu eenmaal doet als de heren iets willen. Ik vroeg de National Trustvolunteer of de eigenaar ook gaan vechten was, maar neen, hij was thuis gebleven, met natuurlijk een of andere heel belangrijke verantwoordelijkheid. Maar wel zich metershoog laten schilderen in militair kostuum.

Er waren blijkbaar geen vrouwen uitgenodigd, zegt Lieve plots.

Verdorie, zeggen de volunteer en ik, elk in onze eigen taal. Zo is het: geen vrouwen. En dan valt het mij ineens heftig in: ik ken geen enkel oorlogsmonument voor de vrouwen die mee hun verantwoordelijkheid namen in de oorlog en daarbij sneuvelden. Talloze monumenten voor de gevallen mannen, maar de vrouwen? Die waren er blijkbaar niet in de Grote Oorlog.

Het is een inzicht waar ik nu nog niet goed van ben…

IMG_5018

(handgeschreven recept in de kelder gevonden)

 

Folk from Norfolk

IMG_4909

Norfolk is naar Engelse begrippen nog meer rural dan het land al rural is: dunne weggetjes, met een hemelbed van boomlover erover en kanten van oude hagen, kerkjes van vuursteen, dorpjes van niks en soms wat groter, veel water en een eindeloze lucht. En vriendelijk volk, dat niet te beroerd is om een praatje te laten uitlopen, zo lang als het praatje nodig heeft. Je leert onbekende levens op die manier even van naderbij kennen, wat altijd prettiger is dan de rij vlakke gezichten die je tegemoet komt in een winkelstraat.
Traton, die ons aansprak op een parking, omdat we tot zijn verrassing Belgen waren. Zijn grootvader was een Fransman die blijven haken was aan een Engelse vrouw en zijn land niet miste. Hij sprak met zijn kleinkinderen, tot hun groeiende ergernis, altijd Frans. Maar toen Traton overschakelde op die taal, hoorden we een Engelsman wel accentloos Frans praten. Zijn eigen vader was een gypsy, daar had hij zijn vreemde voornaam van. En zijn vrouw kwam uit het koude, mistige maar mooie Peak District, en zei toen ze Norfolk voor de eerste keer zag: this is home.
Iets dergelijks zei ook de herderin die uit de Midlands naar hier was verhuisd. Geen snelwegen, zei ze, zelfs geen grote wegen, geen industrie, niets dan wat boeren en wat dorpen. Het maakte voor haar een wereld van verschil. Hard werken was niet erg, zei ze, maar het gejaag, daar had ze genoeg van. Gejaag was er niet in Norfolk. Ze verhuurde zichzelf aan boeren om voor hun kudden te zorgen en had in haar auto twee verdraaid wakker kijkende honden mee.
En we spraken met de volunteers van de Royal Coastwatch in Wells: twee aardige gepensioneerden (“old boys”) die vanuit hun hoge cabine hun tijd spenderen aan het waken over strandgasten, zeerobben, strand, vogels en schepen.
En elke volunteer in elke kamer van de National Trust was een goldmine van kennis, passie en, in het beste geval, een vrolijke ironie. It’s your bed? zei ik tegen een oude man, toen ik de slaapkamer binnenkwam in een of ander aan de Trust geschonken rijkemenshuis. I wouldn’t dream of dying in that bed, zei hij. Waarom, zei ik, want die vraag stel ik makkelijk. Volgde een uitleg over harde pluimmatrassen, waar hij zelf als kleine jongen nog op geslapen had. Waarop wij vertelden van de wollen matras van oma die wij nog altijd in ons huis hebben. Enzovoorts enzoverder. Culturele uitwisseling, noemen ze zoiets.

 

Straaljagertjes

Melford

Nog vogels. We zijn in Engeland en kijken uit over een grasveld dat, zoals alle grasvelden in Engeland, niet te geloven groen is. Er moet hier een geheim zijn dat van grootouders tot kleinkinderen wordt doorgegeven, hoe je gras zo sterk en zacht tegelijk kunt maken, een tapijt zoals ze dat ook kamerbreed in hun huizen koesteren (maar daar dan vol afgrijselijke bloemmotieven). Is gazonstudie hier een universitaire discipline?

Anyway, het was zo’n grasveldje, met in het midden een van die grote bomen die ze hier ook echt groot laten worden. De avond viel, er zat flink wat vocht in de lucht en tegelijk was het loom.
En over dat groene gazon scheerden tientallen kleine straaljagertjes, met een lenigheid die geen enkele vogel hen nadoet. Zo zagen ze er ook uit, de zwaluwen, perfect gebouwde kleine jagertjes. Met hun gevorkte staarten vlogen ze laag over de grond, weken voor de auto op het laatste moment opzij, maakten aan een verbazende snelheid hun bochten, botsten niet met elkaar en piepten ondertussen voluit hun kleine, scherpe kreetjes.

Het meest onder de indruk was ik van het surplacen. Soms, allicht als er een insect te halen viel, leken ze dat snelle glijden zomaar te kunnen stoppen, hingen ze even in de lucht en draaiden dan gewoon om, de andere richting in, klaar om toe te happen. 

Dat zag ik mensenstraaljagers nog niet doen. Dat was acrobatie en ballet ineen.

En met de zwaluwen kwam mijn jeugd terug. Toen ze, op warme zomeravonden, bijna naast en tegen je gezicht vlogen, omdat de insecten zo laag hingen. En telkens toch een botsing konden vermijden. Ik wist het, van hun reactiesnelheid, en toch bleef ik als kind kijken, hopen dat ze weer naar me toe zouden vliegen en dan afbuigen. Het is een beeld dat ze mij voor altijd hebben gegeven, die kleine dondertjes: hun zwart helmpje, hun gepiep, hun racen en dan opzij zwiepen, die warme zomeravonden, de stenen voor ons huis, de bomen en het water rond ons huis, misschien de stappen van mijn vader of mijn moeder die terugkwamen van het werk…

 

Merelwee

IMG_3269

Merels sterven aan een vreemde ziekte, kopt de krant. Ik hoorde het vorige week van vrienden, dat ze in hun tuin de merelgezang al een tijd misten. Ik las het een half jaar eerder in een stukje van Gaston Durnez in De Bond, waarin hij treurde over die verloren zwartrokken met hun geel geverfde bek en hun priemende oogjes. Merulaan, schreef Durnez, want dat was het woord dat in het West-Vlaams van zijn jeugd nog werd gebruikt.

En inderdaad, sedert ik weer thuis ben van reis, heb ik die avondlijke zangers nog niet gehoord. Meestal zat er eentje op de nok van buurmans huis, de koeler wordende ruimte vol zingend met een keel die verbazing en ontzag opriep. En je hoorde de avond vanzelf stil worden en luisteren. En je wist dat schoonheid meer was dan alleen biologisch overleven of zoiets. Dat vuistgrote beestje had generaties verfijning in zijn genen, was bezig een recital te geven voor fijnproevers. Dat beestje kon zelfs grote componisten als Olivier Messiaen inspireren, dichters als Seamus Heaney en Gezelle.

Maar dieren en vogels sterven onzichtbaar. Waar zijn de avondjournaalbeelden van de stervende merels, zoals we die zouden verwachten van elke andere epidemie? Waar zijn de interviews, waar de blijken van treurnis en rouw?

Schrijfster Charlotte Mutsaers noemt dat groots, de manier waarop dieren sterven. Ze klagen niet, ze gaan zitten of liggen en laten zich doodgaan, zonder iets of iemand te storen. Ze stoppen zich zelfs weg, met die eigen dood van hen.

Ik kan begrijpen waarom Mutsaers zo onder de indruk is: dieren en vogels ervaren leven en dood nog als vanzelfsprekende grootheden. Zolang je kunt vechten om in leven te blijven, om kleintjes groot te brengen, doe je dat. Maar als het op is, is het op. Het gebrek aan sentimentaliteit, dat is volgens mij wat haar raakt.

Ironisch genoeg neemt vandaag de dag de sentimentaliteit van mensen tegenover dieren onwaarschijnlijke proporties aan… 

Plaagstaart

4-5-2015 (3)

Kleinzoon Elias leert drie talen tegelijk. Het Engels van Canberra waar ze wonen, het Frans van zijn Parijse mama, en het Nederlands van zijn pa. Engels kwam het eerst en het vlotst, de druk van crèche en straat en winkel. En zijn eigen keuze, natuurlijk. Dan het Frans, met de juiste r, ondersteund door de Ecole Française waar hij al het tweede jaar schoolloopt. En nu, aarzelend, ook Nederlands.

Hij wil van zijn vader de Nederlandse getallen leren, en begint, de twintig voorbij, tot zijn verwondering en lach spontaan te scanderen: eénentwintig, tweéëntwintig, driéëntwintig, telkens met de klemtoon op de eerste lettergreep. Dan stopt hij. Dertig zegt zijn vader, en hij: eénendertig, tweéëndertig, driéëndertig. En zo verder. Hij lacht en scandeert en denkt dat hij zijn vader ermee plagen kan, met dat gezongen Nederlands.

Een plaagstaart, zeiden de mensen vroeger. In het eerste studiejaar zittende moet hij elke dag 1 zinnetje fabriceren en opschrijven in zijn schrift. Hij oefent zich in zinnetjes die bij de juf een glimlach zullen losweken: The cat ate my cake. I don’t know what to write. Een paar weken geleden schreef hij: I lost my tand. Jamaar, zegt zijn vader, dat Nederlandse woord zal de juf hier niet begrijpen. Hij: dat is de bedoeling. Volgt: een brede grijns…

Hij leert zwemmen en vraagt, plonzend in het water, de leraar plagend of er haaien in het zwembad zitten. No, Elias, roept die dan, want die vraag houdt nu al een paar weken aan: no, there are no sharks in the swimming pool…  

Lichtheid

IMG_4682

Ik vind een stapeltje oude Elseviers in een Nederlandse schuur. Hoe ik daar kwam, is een verhaal dat niet zoveel belang heeft. Belangrijker is de ontdekking die ik doe: Remco Campert schrijft elke week een stukje in Elsevier. Remco Campert? Jawel, de bijna doorgezakte dichter, met zijn grote bril, en zijn sigaret, en zijn trage spreken. En zijn gezicht dat permanent opgeschrikt lijkt.

Ik lees ze allemaal, die stukjes, ze zijn doorzichtig, er valt licht door. Zinnen als kleine pasjes, ik hoor zijn voorzichtige, trage taal. Maar zoals alles bij Campert zijn ook die stukjes bedrieglijk in hun eenvoud: hij neemt je plots tegenvoets met zijn ironie, en elke kleine alinea is een beweging in het thema, en de slotzin blinkt.

Waarover hij schrijft? Voor een stukje in de krant is elk beetje klein leven groot. Hoe hij elke woensdagmiddag met vrouwlief naar de film gaat. Hoe dingen in huis hem opladen met herinneringen (“Ik poets mijn verleden op”). Hoe zijn klein mensengemoed lijdt om de gruwel die de televisie toont.

Hij schrijft over zijn vele “misschiens”, en vraagt zich af of hij niet gemaakt is van twijfel. Of misschien voor twijfel.

Hij schrijft over de regen tegen het raam, op straat, op je rug als je dan door die straat moet. Maar dat je ook je kraag kunt opsteken tegen de regen.

Hij schrijft, en ik zie de oude man af en toe een klein beetje dansen. Niet veel, maar op zijn leeftijd is dat vaak verbluffend. Alsof er inderdaad geen tijd is, alleen lichtheid.

En soms mag een mens die lichtheid even zien. Bijvoorbeeld na een regenbui. Of in een paar zinnetjes van Remco Campert.

Praatjes

IMG_4703

Praatjes vullen gaatjes, zegt het spreekwoord. Maar ik hou van praatjes. Ik ben zoals Toon Hermans, die schrijft dat hij meer naar de toon van het gesprokene luistert dan naar de inhoud, omdat je zo veel meer hoort wat er in hoofd en hart omgaat van de mens die spreekt. Praatjes laten je een glimp zien van het leven dat langskomt, alsof je er een paar bladzijden in mag lezen. En het is een groot boek, het leven, het verrast me telkens weer. Als schrijver van verhalen heeft het leven een geweldige verbeelding.  

En een geweldige zin voor tragiek en komiek. Je moet slikken, of je komt niet bij.

Maar vandaag en gisteren waren het kleine praatjes.

Soms met een zweem van een beginnend mysterie: praatje met de man die na zijn pensionering nu grote vliegers maakt, die hij oplaat aan de zee (hij noemt het vliegerfestival van Oostende).

Maar hij maakt ook portretten, zegt hij. Hij stikt ze in lapjes zwarte en witte stof. En hij maakt wat hij objecten noemt. Bijvoorbeeld een opblaasbare struisvogel die aan een touwtje stilletjes ronddraait.

Een vreemde man, die ik voordien lang in de lucht had zien staren. Allicht zag hij daar nieuwe vliegers voorbij komen. Wellicht is hij nu bezig aan mijn portret, in lapjes stof.

Soms lijkt een praatje louter informatief. We praten met de veerman van het overzetbootje over de oude Maas, over hoe vroeger het transport ging over dit ondiepe deel van de stroom, voor het Julianakanaal werd gegraven. Trekken, zegt hij. Met menselijke schouders. Met paarden. Die info hadden we al vermoed. Maar ik krijg zijn zachte blik mee, en de aanblik van zijn mooie grijs geworden snor, en als we weggaan, zijn glimlach.