K. Schippers

K.Schippers is dood. De man die zei dat de dood niet zijn idee was (  DOCS – 2Doc.nl   ) en die van de zinnetjes waarmee zijn kanker werd verteld (“Hadden ze het me niet gezegd / ik had het nooit geweten”) een knap, op zichzelf staand gedichtje had gemaakt (of omgekeerd: het gedichtje was er al, en hij herkende er zijn kankerboodschap in… En hij voegde er al onmiddellijk de soortnaam bij – een distichon, een tweeregelig gedicht – dat geeft nog meer afzonderlijkheid aan het dingetje, nog meer om aandachtig te bekijken en te beluisteren), die man (zeg ik nu, na een lange zin) is wel degelijk gestorven. Geen origineler, grappiger, verrassender schrijver dan hij het was. Hij liep tussen de wereld als tussen een permanent veelvoud, een overvloed waar hij niet scherp en open genoeg naar kon kijken.

Ik citeer nog een gedicht van hem, omdat ik het zelf ook regelmatig meemaak, gunstig in de werkelijkheid te mogen zitten. Ik zat in het ziekenhuis in zo’n afgescheiden wachtplekje, achter witte lage muurtjes waarboven je dus de helften van andere mensen kon zien voorbijgaan. Er stond in die gang ook een tweezitsbank, en daar gingen een man en een vrouw op zitten. Toen stond de man op en liep verder de gang in en bleef de vrouw alleen achter. Ik zag haar niet, het muurtje stond in de weg. Maar wat ik wel zag was haar been en voet. Die staken voorbij de opening in het muurtje vrijuit mijn gezichtsveld in. Een prettig gezicht, moet ik zeggen, want het was een prachtig been met een voet in een rode schoen zat en toheel aangenaam kon wiebelen. En zo zaten wij daar, dat been en ik. Allebei tevreden met het kleine gelukje dat ons niet voorbij liep: het been omdat iemand zo lang wilde kijken, ik omdat het been zo lang wilde wachten. En allebei wiebelden we een beetje…

Gunstig in de werkelijkheid zitten

In spiegels probeer ik vaak te zien
de handelingen van degenen
die je niet kan zien
maar die toch in de kamer zijn.

Het resultaat van de lijn spiegel-proefpersoon
ligt meestal buiten mijn gezichtsveld,
delen van tafels en stoelen,
een stukje witte muur en
een keer zelfs de helft van een vogelkooi
met soms de vogel in die helft
zijn zichtbaar,
Arabië of een ander land
komt niet uit de atlas.

Gisteren zat ik naast een kast
en eindelijk lakte een meisje
dat ik niet kon zien
haar nagels in een spiegel
die ik kon zien,
ze had vijf minuten nodig
om ze droog te blazen.

Ja, die Schippers. Soms is het niet alleen poëzie, soms is het ook levenskunst. En lichtheid. Doorzichtigheid. “Alles is naar je toegekeerd.//Je hoeft ’t niet te bezitten.” (uit het gedicht “Het overhevelen van gewicht”)

foto Singel Uitgeverijen

Zomer & kersen

Zomer & kersen

Zo’n enorme kersenboom is als een gegoede dame, breed behangen met juwelen. De kersenjuwelen schitteren in de zon. Van dichtbij zijn ze verweerd. Door de striemen van de regen, door de vogels. Verweerd, dat zullen die opgetuigde dames ook wel zijn. Maar vanop afstand zijn ze een en al zelfbewustzijn.

Suskewiet, suskewiet: geen charmanter riedeltje dan dit. Ik word er vrolijk van, geneigd om elk suskewiet mee te zingen. Dat verklaart misschien dat er overal te lande nog vinkenzettersclubs zijn, met ook jonge leden. Wat een speciale hobby! Een uur stilzitten, luisteren en met krijt streepjes zetten op een stok. Je zou van minder zen worden.

De stilstanden van de zomer. De hemelwolken bewegen niet, de bladeren roeren zich nauwelijks, trekken misschien eens met hun schouder, er is een plotse stilte in de straat. Vreemde momenten zijn het. Ligt hier ook iemand uit te rusten, net als ik?

Van de twee emmers kersen (wijnkers die barst van het sap en een blekere, blozende vleeskers) hebben we een klein leger confituurpotten gevuld. Maar ook zo binnengesmikkeld, ze ingevroren om in het voorjaar nog wat zomer tevoorschijn te toveren, een volle taart mee belegd en met smaak verwarmd samen met een stevig gehaktbrood. Allesbehalve rusten was dat.

Die kersen kregen we van vrienden. Die hebben rond hun huis een klein Eden gemaakt. Enfin, maken: er komt veel kennis en ervaring aan te pas, en trouw verzorgen, en goede plannen. Het kijken naar zo’n weldadigheid is al een cadeau. Een weelde waar Timmermans wel weg mee zou weten, met zijn vette rijpe stijl, maar evengoed met woorden als fijne olie, die lang nasmaken. En ook de klapkes tussen vrienden smaken, dat is zeker, vol sap zijn ze.

Drolerie

Een mooi woord geleerd tijdens de expo over glaskunst in de tijd van Van Eyck (begijnhof Gent): drolerie. Zo’n grappig stukje verbeelding, in de marge van een manuscript, of van een gebouw, of van een meubelstuk. Ik fotografeerde een kopvoeter, een miniem stukje glasraam dat overgebleven was. En zo’n vreemd non-binair wezen met vleugels en massieve poten.

Een kleine denkoefening: waar zijn de drolerieën vandaag? Ik kan alleen maar denken aan de spotprenten in kranten, meer niet.

Maar misschien hoeft dat ook niet: als ik Orban zie binnenkomen in het Europees Parlement, achter zijn dikke pens aan, zie ik ook een drolerie. Hij voelt aan zijn das als hij de auto uitkomt, doet zijn jasje dicht, tast even of zijn jaszakjes niet ingeklapt zitten. Maar even later zie ik hem met waggelgang naar binnen schrijden, met handen in de broekzakken. Zijn armen lijken wel te kort, oftewel is zijn pens te breed. Dan denk ik: misschien is er in Hongarije wel een wet die stijl verbiedt, mogen ze daar op school niet over spreken, op straffe van boete?  

Stilleven wordt stil leven…


Wel even met de ogen knipperen tussen de twee foto’s, het wonder gebeurt niet vanzelf hé.

Wat zei de dichter Bloem ook alweer: “Het leven houdt zijn wonderen verborgen, tot het ze opeens toont, in hun hoge staat” (in het gedicht De Dapperstraat).

Van zo’n tot leven gekomen stilleven word ik domweg gelukkig…

(gezien in De Panne, zondag 6 juni)

Broekjes

’t Is weer de tijd van de korte broeken. Een beetje zon, en voilà, ze zijn er weer. En er zit verschil op, voorwaar. Bij de jonge vrouwen gaat gladde huid van de benen naadloos over in gladde broek, alsof die broek gewoon een lichaamsdeel is geworden, en hogerop geheel naadloos weer blote buik wordt. Ah, de trots van vlees geworden broekjes…

Bij oudere heren is die korte broek enkel vleeskleurig, een rechtopstaand stuk textiel, dat de verbinding verzekert tussen buik en benen. Dat tussenstuk is, gezien het verschil in volume tussen boven en onder, echt wel nodig, anders begon die buik al bij de knieën. Een kopvoeter, zoals peuters die nog tekenen.

’t Is weer de tijd van de korte broeken. En ik die al weken dacht: nu sta ik helemaal droog, nu is er niks meer dat mij een duwtje geeft en zegt: zou je niet eens over mij schrijven. Maar ondertussen heb ik al ettelijke geslaagde en minder geslaagde broekjes gezien, de schepping blijft van een verbazingwekkende veelzijdigheid. En dat de dieren helemaal geen broekjes nodig hebben, dat is toch ook een hersenkraker? Waarom wij wel?

… ou Dieu est amoureux

Arno, met die door leeftijd glanzend geworden stem van hem, zingt: Je veux vivre dans un monde ou Dieu est amoureux (in het lied Vivre). Arno als theoloog, waar gaan we dat schrijven. Maar het tekent hem als spirituele mens, dat wil zeggen iemand die zijn gedachten op het grote leven zoekt te leggen, dat verbonden maar ook warrige, harde leven van mensen en dingen. Want er zijn veel waaroms, en hij overloopt er een aantal in dat lied. En neemt stelling.
De solo gigolo is toch niet zo solo, hij voelt de grote wereld door hem trekken, en zingt, in zijn prachtige Arno-Frans, een lied dat de wereld wil herscheppen, dat wil aanraken en dichterbij trekken, voorbij de miserie en de aanstellerij. Een spiritueel lied, quoi. Arno weet dat je over God nauwelijks iets kan zeggen, alleen maar dat er een geheim van liefde en diepe betrokkenheid door de wereld gaat. Maar in die geniale eenvoud van hem zegt Arno: dan liefst een verliefd geheim, met alle zottigheid en verlangen en rock ’n roll die daarbij horen. En ik kan hem alleen maar volmondig gelijk geven…

Voor Yehuda Amichai

Er zijn woorden die als een groot mes bijna
tot boven toe zijn uitgesleten, zoveel handen
hebben ze gewet, en nu zijn ze oud,
en niemand durft ze verloren leggen.

Er zijn geuren uit de woestijn, en geuren
van de hand die blijft achtervolgen
om te liefkozen, alsof hij de huid
mist die de geliefde meenam en vergat.

Er zijn huizen waar in de schemering de muren
willen knielen en bidden, door het geloof
waarmee de ene steen op de andere werd gezet,
door het geduld waarmee ze bleven staan.

Er zijn wapens die krampachtig wachten,
bitter van verbroken beloften en nauwelijks
een klein berichtje in het avondjournaal.
Maar wapens wachten als een dood seizoen.

Er is een vader in de spieren die voelt
hoe warm het bloed is.
Er is een zoon in het bloed die vergeet
dat bloed niet eeuwig is.

Er is een god van boeken en van tempels
en een god van dode lichamen, in
de stilte tussen de gebaren wachten
de achterblijvers op een teken van verlies of winst.

Er zijn oorlogen voor dagelijks gebruik
en oorlogen voor landen en tijden.
In de fotoboeken van herinnering leren ze
rusten, gezichten klein en het handschrift oud.

Er is glas om je aders te laten springen.
Er is een muur om je te vergeven.
Er zijn gedichten, ze wiegen als oude profeten.
Er is een dag die ’s morgens weer begint.

Een leven is een groot klein land, soms
in oorlog, soms waait er vrede door
als bladeren in hevige wind en
geeft de wijn licht aan wie hem drinkt.

Een leven is een groot klein land,
onafhankelijk verklaard, met vlag en stem.
Maar ’s avonds roept het: kom bij me liggen,
we sluiten een verdrag en slapen in.

Nu Palestina en Israël in brand staan (het ene veel meer dan het andere, al jaren…): dit gedicht dat ik ooit schreef voor een van mijn geliefde dichters. Hoe missen we nu de zachte, invoelende, geduldige stemmen, van beide kanten…

Krassen

Bestaat er in de muziek een woord voor klanken die op je “inslaan”? Ik bedoel dat niet negatief, niet dat het pijn doet. Ik bedoel de intensiteit die ze plots loslaten. Hoe vaak al heb ik die beginmaten gehoord van Almost cut my hair (Crosby Stills Nash and Young, van hun plaat Déjà Vu), die noten die met zoveel kracht in je geslagen worden, maar ik blijf er stil van worden. Wat is die intensiteit?  “I’m not giving in an inch to fear,” zingen Crosby en Co. Is het dat? Waarom slaat de piano in Blind Willie McTell nagels in mijn vel? Wat een kracht, wat een melancholie tegelijk. Want niemand zingt de blues zoals Blind Willie. Is het die onderhuidse pijn van het leven die ik hier voel? En die Dylan vaak probeert uit te drukken?

Klassieke muziek krast niet zo op mijn ziel, denk ik. Ik zou ze niet kunnen missen, Bach die zijn noten opentrekt tot in de zeven sferen, Gershwin en Ravel die hun orkest altijd weer verrassend laten zingen, en al die andere grootmeesters. Maar zo’n snijdende bluesgitaar, dat is rauw vlees soms, dan weet je weer hoe kwetsbaar je lichaam is. Wat is die intensiteit die je voelt als Nina Simone of Jacques Brel je “slaan” met hun stem? Ze zijn niet bang, ze zetten een grote bek op tegen de pijn van het leven, misschien is het dat…

Daarnet, in het derde deel van Charlatan, Arno zien zingen, met die geweldige stem van hem. Ook hij slaat soms. En op die momenten denk je: merci, Arno…